De kosten van BENG

beng-tekeningenVerslag van de derde bijeenkomst van de ZEN themagroep ‘BENG-eisen voor grondgebonden woningen’ o.l.v. Claudia Bouwens, 10 juni 2016. Door René Didde.

Op het kantoor van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in Utrecht komen op vrijdagmiddag 10 juni twintig deelnemers bijeen voor de voorlopige slotbijeenkomst van de themagroep ‘BENG-eisen’. In twee vorige sessies zijn twaalf verschillende grondgebonden nieuwbouwprojecten van verschillende bouwers met een EPC van –0,24 tot 0,58 besproken en door Nieman Raadgevende Ingenieurs en DGMR ‘BENG-proof’ gemaakt. De onderzoekers deden verschillende voorstellen om de twaalf projecten, deels gerealiseerd, deels in uitvoering, te laten voldoen aan de drie BENG-criteria (zie onderaan), zoals die vermoedelijk vanaf 1 januari 2021 de EPC gaan vervangen.

Voor deze derde sessie rekenden de indieners van de twaalf projecten uit wat de meerkosten zijn om de woningen BENG-proof te maken. Wat kosten de maatregelen, wat levert het op en wat betekent het voor de bewoner? En hoe zit het met de ontwerpvrijheid voor architecten? Is er onder het BENG-regime nog wel een diversiteit aan bouwvormen mogelijk?

Limbo-dans
Volgens adviseur Harm Valk moeten we de drie BENG-eisen niet zien als een hordeloop, met de eerste eis als zwaarste horde. ‘Nee, je moet de drie BENG-eisen eerder zien als limbo-dansen onder drie horizontale stokken door. De drie eisen hebben invloed op elkaar’, houdt hij het gehoor van twintig mensen in een zaal van RVO in Utrecht voor. Eerder al was de conclusie dat het ontwerp van de woning belangrijk wordt. ‘EPC heeft ons op dit gebied lui gemaakt’, aldus Valk. Van grote invloed op de BENG-score is de verhouding vloeroppervlak/verliesoppervlak.

Opmerkelijk is dat niet alleen vrijstaande huizen relatief slecht scoren, maar ook kleinere, eenlaagse woningen, zoals de aardbevingsbestendige seniorenwoning van houtskeletbouw van 65 vierkante meter in Groningen. Door de ongunstige verhouding tussen vloeroppervlak en schil, de ongunstige oriëntatie en geometrie, moest alles uit de kast om BENG te halen. De isolatiewaarde van het dak moest van 6 naar maar liefst 12 en die van de gevel van 4,5 naar 6. Ook zijn behoorlijk veel extra PV-panelen nodig om de BENG-eisen te halen. De ontwikkelende bouwer becijfert de meerkosten op ruim 24 duizend euro (incl. BTW), ofwel € 322/m2 extra. ‘Deze woning zal met 33% meerkosten niet worden gebouwd’, concludeert de ontwikkelaar wat teleurgesteld.

Uit het overzicht van alle woningen blijkt dat er een behoorlijke spreiding zit in de meerkosten voor BENG, tussen de 6.600 en 32.000 euro extra (inclusief BTW). In euro’s per vierkante meter is de spreiding 53 euro tot 322 euro. De uitschieters (grofweg boven de 100 euro per m2) zijn vrijstaande woningen, eenlaagse woningen en woningvarianten met een kostbaar energiepakket. Bij de vrijstaande woning, met rondom glas bestaan de belangrijkste en kostbaarste BENG-maatregelen uit de dakisolatie (Rc 10), de 42 vierkante meter extra zonnepanelen en zonwering op de oost-, zuid- en west-gevel om de energiebehoefte voor koeling in de zomer te vermijden.

Conclusies
Het lijkt erop, met wat we nu weten van BENG, dat vrijstaande woningen en vooral ook de kleine woningen moeilijk volgens de huidige BENG-criteria gebouwd kunnen worden, aldus dit onderzoek. Vooral tussenwoningen scoren wel goed.

De hoogte van de meerkosten wordt bepaald door het maatregelenpakket, vooral de isolatiewaarden van gevel en dak, en de extra PV-panelen. Het lijkt er op dat de kosten om van EPC 0,4 naar BENG te komen hoger zijn dan de sprong van EPC 0,6 naar 0,4.

Harm Valk wijst erop dat de onderzoekers bij het ‘BENG-proof’ maken niet op bouwkosten hebben gelet. “Om de effecten van zoveel mogelijk maatregelen te bekijken, en een zo groot mogelijke variatie te zien, is niet altijd voor de goedkoopste maatregelen gekozen.” Hij vertelt bovendien dat niet is getornd aan geometrie en ontwerp van de woningen en ook de stedenbouwkundige opzet van de kavels ongewijzigd is gelaten. In één variant draaiden de onderzoekers de oriëntatie wèl van Oost-west naar Noord-zuid, waarop de BENG-meerkosten daalden.

De aanwezigen concluderen dat Rc-waarden van 9 of meer aanbrengen in dak en gevel niet meer nuttig is.

Trebbe heeft een indrukwekkende hoeveelheid varianten van de door hen ontwikkelde woningen doorgerekend. BENG-gefitte woningen zijn dan wel 6000 tot 12.000 euro duurder, maar ze leveren de bewoners ook tot enkele tientjes per maand voordeel op door de verbeterde isolatie en de PV-elektriciteit opwekking (inclusief 100 procent saldering). Opmerkelijk is dat bij externe warmtelevering de energiekosten voor bewoners echter stijgen. “Dit heeft alles met de tariefstelling te maken”, aldus Valk. Door toepassing van bijvoorbeeld de uniforme bepalingsmethode van het Lente-akkoord kan Trebbe zien welke variant de laagste energierekening oplevert.

Discussie en ‘aanbevelingen’

  • Niet alleen de invloed van architecten maar ook die van stedenbouwkundigen op het bereiken van de BENG-eisen is een eye-opener. Er wordt geschat dat zomaar de helft van de meerkosten van BENG-maatregelen zijn toe te schrijven aan een minder optimale oriëntatie van de woning, tot wel 5 kWh/m2 zoals eerder berekend. Dus het is belangrijk om niet alleen architecten maar ook stedenbouwkundigen te attenderen op de BENG-eisen.
  • BENG-woningen zijn duurder, maar dragen redelijk goed bij aan de nationale doelstelling om CO2 te besparen in de gebouwde omgeving en leveren de bewoner een lagere energierekening op (met uitzondering van de situatie waar sprake is van externe warmtelevering). Dit biedt ook aanknopingspunten voor woningcorporaties. Zij denken steeds meer in totale woonlasten in plaats van (kale) huur. In het perspectief van ZEN is de betaalbaarheid van de woning, een lage energierekening en de bijdrage aan CO2-doelen een pré;
  • De eerste BENG-eis lijkt een goede ondergrens te bieden voor de bouwkundige kwaliteit van de woning. ‘De gebouwschil vrijwaart de bewoner van sores.’ BENG-eis 1 maakt ook dat de getrapte eis van EPC bij gebiedsmaatregelen kan vervallen. ‘Er is sprake van een gelijke basiskwaliteit, ongeacht de energiebron. De eerste BENG-eis beschermt de consument, ook in zijn portemonnee.’
  • Niet duidelijk wordt of een consument ook een beter comfort ondervindt bij de eis van 25 kWh/m2.jaar voor energiebehoefte. Zou 30 of 35 ook volstaan?;
  • Jos de Vries van BPD wijst op de verschillende rekenregels voor teruglevering van PV-stroom. Op dit vlak lijkt BENG anders met teruggeleverde stroom om te gaan dan EPC dat deed. Het lijkt erop dat PV in een woning met een gasaansluiting minder wordt meegerekend dan in een all electric woning. Hij gaat dit met RVO verder doorspreken.

De discussie gaat deze keer vooral over de beknotting van de vrijheid in woningtypen. Het is mooi dat de tussenwoningen tegen relatief geringe meerkosten de BENG-eisen halen. Maar geen tussenwoning zonder twee hoekwoningen. ‘Een woning is geen gloeilamp: je kan het niet zomaar verbieden. BENG mag straks de bouw van vrijstaande woningen, bungalows, patiowoningen, ‘tiny houses’ en aardbevingsbestendige houtskeletbouw van één verdieping niet onmogelijk maken’, zo is de overheersende mening. En er zit iets paradoxaals aan. De stelregel lijkt dat hoe kleiner je woont (één bouwlaag), des te ongunstiger de verhouding gebruiksoppervlak/verliesoppervlak is. Er gaat immers relatief veel verloren aan de bouwschil. Hoewel ‘gestraft’ op BENG-1 is een kleine woning tegelijkertijd natuurlijk energievriendelijker.

Er worden direct twee mogelijke ‘escapes’ bedacht om de ontwerpvrijheid te garanderen:
a. Stel de eerste BENG-eis voor vrijstaande en eenlaagse woningen niet op 25 kWh/m2/jaar, maar versoepel het tot 30 of 35 kWh/m2/jaar. Dit zou ook soelaas kunnen bieden voor de hoogbouw. Nadeel daarvan is dat er onbedoeld allerlei ontduikmogelijkheden worden bevorderd en definitie-discussies ontstaan. Wat is een patio-woning? En een minieme spouw tussen twee ‘twee onder een kap-woningen’ maakt het plots tot twee vrijstaande huizen. Je kunt ook denken aan een formulering op basis van de verhouding woonoppervlak/verliesoppervlak, of een ‘bodem’ in de eis onder een bepaald gebruiksoppervlak.
b. Je kunt een overschrijding van de BENG-1 tolereren door bijvoorbeeld BENG-3 te verzwaren, dus de opwekking van een groter aandeel hernieuwbare energie (bv 60 procent in plaats van 50 procent)

Afgezien van de ‘discriminatie’ van kleine woningen en vrijstaande woningen vinden alle aanwezigen BENG-1 een verrijking ten opzichte van de EPC. ‘We zijn van het geitenwollensokkengedoe af, de dominantie van de installatiebranche verandert, een gasloze toekomst wordt makkelijker mogelijk, bronnen met een lage afgiftetemperatuur worden gestimuleerd.

Vervolg
Harm Valk van Nieman zal het hele onderzoek presenteren op de ZEN-bijeenkomst a.s. 21 juni. In een redactieslag zullen Nieman en DGMR een aantal foutjes in het rapport wegwerken en eenduidigheid betrachten. Alle kosten worden inclusief BTW vermeld (‘zo denkt een consument ook’), PV wordt in vierkante meter aangeduid (en niet in aantal panelen). De Lente-akkoordpartners zullen het rapport met een brief aanbieden aan de minister, en na de zomer start het Lente-akkoord met een begeleidingsgroep om de leerpunten uit het rapport te vertalen naar een factsheet met do’s & don’ts voor BENG-proof ontwerpen. De eerste deelnemers voor de begeleidingsgroep melden zich al aan.

Zie ook:
Handvatten voor BENG (15-04-2016)
BENG themagroep rekent 10 projecten door (22-01-2016)

Drie BENG-eisen
Voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen, kortweg BENG, gaan straks drie nieuwe energie-indicatoren gelden. Deze indicatoren gaan vanaf 2021 de vooraf berekende EPC met energieprestatie-eisen voor nieuwbouw vervangen.

BENG-indicator 1. De energiebehoefte van een gebouw. Dat is de vraag naar warmte en naar koeling (inclusief zomerkoeling) en ventilatie in de woning. Deze eis gaat uit van een ‘standaard-bewoning’ en ‘standaardgedrag’ en is dus vooral gerelateerd aan de bouwschil en onafhankelijk van bewonersgedrag. Deze eerste indicator is te vergelijken met de eis voor PassiefHuis. Voor 2021 geldt voor woningbouw vermoedelijk de eis van maximaal 25 kWh/m2/jaar (thermische energie).

BENG-indicator 2. Het primaire energieverbruik. Dat is het energieverbruik van alle installaties, inclusief warm tapwater. Ook de energiedrager, bijvoorbeeld steenkool of aardgas komt hierin tot uitdrukking. Wie zelf energie opwekt, zie de derde indicator, mag dit van het primaire energieverbruik aftrekken. Deze indicator is te vergelijken met de EPC nu. Ook hier wordt de eis vermoedelijk maximaal 25 kWh/m2/jaar voor woningbouw.

BENG-indicator 3. Het aandeel hernieuwbare energie. Dat is het percentage hernieuwbare energie, zoals zonnepanelen, zonneboiler, warmtepomp, en onder voorwaarden ook biomassa, of aansluiting op een warmtenet dat wordt gevoed met restwarmte. Per 2021 geldt de eis van minimaal 50 procent voor woningbouw.

De bepalingsmethoden voor BENG worden in de BENG-handreiking tijdelijk afgeleid uit de EPG-berekeningen volgens NEN-7120. In 2019 is een nieuwe bepalingsmethode gereed.


Gerelateerde berichten

Tags:

BENG ZEN

PARTNERS

NEPROM NVB Bouwend Nederland Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties