Energie van buiten de kavel

warmtenetVerslag van de tweede bijeenkomst van de Themagroep ‘Energie op gebiedsniveau’ o.l.v. Jan Fokkema, Voorburg, donderdag 1 september 2016. Verslag door René Didde.

Veel daken zijn te klein voor de benodigde hoeveelheid PV-panelen om te voldoen aan de voorgenomen BENG-eisen, vooral in hoogbouw in stedelijk gebied. Daarom moet in een ZEN-toekomst de duurzame energie vanuit het omliggende gebied buiten de kavel komen, ofwel ‘gebiedsenergie’. Allerlei gremia, zoals de normsubcommissie NVN 7125, praten momenteel over de Energieprestatienorm voor Maatregelen op Gebiedsniveau (EMG). Het gaat over hoe de rekenregels voor zeer energiezuinige nieuwbouw moeten worden aangepast. Het zijn ingewikkelde vraagstukken met verstrekkende consequenties voor de nieuwbouw. Tien deelnemers afkomstig van bouwende ontwikkelaars en adviseurs verkennen de buitengrenzen van de ‘gebiedsenergie’ in de tweede bijeenkomst van de themagroep ‘Energie op gebiedsniveau’.

We spreken kort over de herziene Warmtewet. Hierin is nog niets opgenomen over het milieurendement van stadsverwarming. Het is nog onduidelijk waar dit het beste een plek in de wetgeving kan krijgen, meldt de aanwezige ambtenaar van het Ministerie. Gezien de ervaringen in Utrecht is het slim om voortaan met warmtebedrijven afspraken te maken over de duurzaamheid van hun warmtelevering  en de aan te leveren temperatuur.  We willen gemeenten vragen om dit in warmteplannen op te nemen. In de herziene Warmewet is de Bijdrage Aansluitkosten (BAK) voor nieuwbouwwoningen opgenomen: deze wordt hetzelfde als de aansluitkosten voor bestaande bouw. Ook komt er een mogelijkheid tot differentiatie in maximaal tarief, bijvoorbeeld op temperatuur.

Stand van zaken EMG– Pieter Nuiten, W/E Adviseurs
Wie in de toekomst woningen bouwt en om de een of andere reden geen duurzame energie op de eigen kavel kan opwekken, mag bronnen uit het omliggende gebied gebruiken of oprichten. ‘Bij de aanvraag van de bouwvergunning is evengoed een EPC-bepaling nodig’, zegt Pieter Nuiten van W/E Adviseurs. ‘Die EPC kan worden bepaald met gebiedsmaatregelen, zoals PV-panelen op daken verderop, een zonneweide of een warmtenet.’ Deze collectieve voorzieningen moeten worden verrekend in de energieprestatie van alle aangesloten gebouwen.

De rekenregels daarvoor worden vastgelegd in een norm, nu nog de voornorm NVN 7125, binnenkort waarschijnlijk de NEN 7125. Over die rekenregels wordt nu gediscussieerd in een normsubcommissie. Een belangrijk begrip dat uit de schoorsteen van die commissie omhoog kringelt, is het Equivalent Opwekkingsrendement (EOR). Nuiten: ‘Daarmee wordt het rendement van de collectieve energiebron bepaald. Voor een afvalcentrale kan de EOR wel zo hoog worden als 14, ofwel 1400%. Dat komt doordat biomassa in de AVI niet meetelt als primaire, fossiele, energiebron. Alleen de pompen en hulpenergie wordt toegerekend aan de input. De output in GJ aan warmte voor het warmtenet wordt dus gedeeld door een heel laag getal, wat leidt tot het hoge rendement. Zo heeft geothermie een EOR van typisch 20, een zonneweide circa 30. Woningen kunnen hierdoor gemakkelijker aan de EPC voldoen.’ Het bureau controle en registratiegelijkwaardigheid (BCRG) toetst of de EOR goed wordt toegepast. Overigens heeft het Bouwbesluit middels de ‘getrapte eis’ een mechanisme ingebouwd waardoor het effect van dit soort hele hoge EOR’s wordt beperkt.

De consultatie- en commentaarperiode voor de ontwerpversie van NEN 7125 is dit voorjaar afgesloten. Voor zo ver mij bekend zijn er tot en met vandaag geen reacties of commentaar binnengekomen bij de normcommissie. De nieuwe norm zou dus zomaar per 1 januari aanstaande kunnen worden aangewezen’, aldus Pieter Nuiten. Dan is er het opnameprotocol EMG, dat wordt geregeld in ISSO 75.4. Daarin kunnen gemeenten als bevoegd gezag zien hoe zij het EMG en EOR moeten toepassen bij een bouwaanvraag. Nuiten: ‘Hoewel nergens formeel aangewezen, is ISSO 75.4 op dit moment wel de ‘best practice’ voor de toetsing van het EOR.’

Afstand
Een heet hangijzer uit de energiemaatregelen op gebiedsniveau is de afstand van de energiebron (‘opstelplaats’) tot de woning. Er moet sprake zijn van een rechtstreekse fysieke verbinding tussen woning en energiebron via een specifiek warmtenet of biogasnet. Loopt de verbinding via het landelijke net voor gas of elektriciteit, dan geldt vooralsnog een afstandseis van 10 kilometer. ‘Die eis is opgenomen om te voorkomen dat een windmolenpark op zee wordt aangesproken. PV op een zonneweide in de buurt is dus wel een legitieme EMG’, aldus de energie-adviseur. Hij vervolgt: ‘Maar feitelijk is die 10 km een politieke keuze, die niet echt thuis hoort in een technische norm. In de definitieve versie van de NEN 7125 is het goed mogelijk dat de afstandseis van 10 km is vervangen door ‘een nader te bepalen afstand’. Die dan door de (Rijks)overheid vastgesteld kan worden’.

Gelijktijdigheid
Een ander issue betreft de gelijktijdigheid van de realisatie in woningbouw en duurzame energiebron. Het opnameprotocol ISSO 75.4 stelt een langjarig gemiddelde voor (tien jaar) met een verklaring die minstens drie jaar geldig is. Nuiten: ‘Dat middelt het slechte opwekkingsrendement van een warmtenet dat wordt gevoed met olie of gas voor de eerste tranche van een nieuwbouwproject met de later opgeleverde woningen in hetzelfde project en te maken hebben met hetzelfde warmtenet dat zich intussen heeft verduurzaamd door de warmte van biomassa of restwarmte van industrie of een elektriciteitscentrale te betrekken. Of waar de woningen met een veel lagere temperatuur van de warmte toekunnen.’ Zo wordt de EPC van de woningen in het gehele nieuwbouwproject eerlijker verdeeld.

Contractuele verplichting
Belangrijk is verder dat er een blijvende contractuele verplichting is in zowel NEN 7125 (EMG) als ISSO 75.4 (opnameprotocol) tussen gebouw en energiebron. In de normcommissie is ook langdurig gepraat over de herziening van het opwekkingsrendement van het elektriciteitsnet in Nederland. Sinds 1995 is dat rendement op 39% gesteld. Nu na 20 jaar het rendement zachtjesaan is gestegen door verbetering van de efficiëntie, ligt het voor de hand om dat rendement op te schroeven. ‘De commissie stelt 46,6% voor’, zegt Nuiten. Dat heeft implicaties voor de verrekening van duurzame energiebronnen. ‘Warmtepompen gaan nu ineens beter scoren, grote zonnepaneleninstallaties scoren slechter. Een warmtepomp heeft nu immers minder primaire energie nodig voor de elektriciteit die nodig is om warmte te produceren; grote zonnestroom-installaties die meer opwekken dan voor eigen gebruik, leveren elektriciteit aan het net dat dan niet elders door fossiel hoeft te worden opgewekt.’ Als dit rendement verandert, wijzigen ook de rekenregels voor de derving van elektriciteitsopwekking uit een energiecentrale doordat warmte wordt afgetapt voor een warmtenet.

Opvallend is verder dat de energiemaatregelen op gebiedsniveau nog niet veel over BENG zeggen. Wel staat vast dat EMG relevant is voor BENG-indicator 2 (primaire energieverbruik van een woning, dus installaties en tapwater, vergelijkbaar met EPC) en BENG-indicator 3 (aandeel duurzame energie). Nuiten: ‘Het aandeel hernieuwbare energie in stadsverwarming of afvalverbrandingsinstallatie is niet opgenomen in de ontwerpversie van de NEN  7125.’

Ook de discussie over hoe de CO2-doelen moeten corresponderen met de nieuwe energieprestatie-eisen op gebiedsniveau is nog niet goed gevoerd.

Volgende bijeenkomst: donderdag 10 november 2016 vanaf 13.30 bij NEPROM, Huize Middenburg, Westeinde 28, Voorburg. Dan vindt een presentatie plaats van Stan Verheijen (Solar Greenpoint, facilitator van vooral zonneweiden) over businessmodellen in en buiten de postcoderoos met Walter Jansen van woningcorporatie Vidomes als ‘co-referent’.


Gerelateerde berichten

PARTNERS

NEPROM NVB Bouwend Nederland Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties