Energie van buiten de kavel

Windmolens_maasvlakteThemagroep ‘Energie op gebiedsniveau’, eerste bijeenkomst o.l.v. Jan Fokkema, Voorburg, dinsdag 7 juni 2016. Verslag door René Didde.

Veel daken zijn ongeschikt voor PV-panelen en duidelijk is dat niemand – op boeren na – een windmolen in zijn tuin kan bouwen. Gestapelde bouw in verdicht binnenstedelijk gebied vertoont een verrassende overeenkomst met een boomrijke woonwijk in een uitleglocatie: in een ZEN-toekomst moet de duurzame energie deels vanuit het omliggende gebied buiten de kavel komen. Ook biomassacentrales, mestvergisting, warmte-koude-opslag zijn mogelijke vormen van ‘gebiedsenergie’.

Daar zitten haken en ogen aan. Zonnepanelen van elders moeten zich (volgens NVN 7125, ofwel de EMG) binnen een straal van tien kilometer bevinden en ‘gelijktijdig’ worden gebouwd met de woningen. En hoe moet je precies stadsverwarming toerekenen naar het appartementencomplex? Wat gebeurt er met de energieprestatie van het gebouw als het energiebedrijf de energiemix van het warmtenet verandert, zoals in Utrecht?

De consequenties van dit soort vragen zijn belangrijk voor de toekomst met een ontwerp volgens de BENG-eisen. Op het kantoor van NEPROM/NVB in het lommerrijke landgoed Huize Middenburg in Voorburg vindt dinsdagmiddag 7 juni de eerste bijeenkomst van de nieuwe themagroep ‘Energie op gebiedsniveau’ plaats. Tien deelnemers afkomstig van bouwende ontwikkelaars en adviseurs verkennen de buitengrenzen van de gebiedsenergie, toegespitst op warmtenet/stadsverwarming en PV. Ze delen kennis en ervaring met elkaar en komen al met een serie vervolgstappen. Deze nieuwe themagroep wordt een blijvertje.

Warmteplannen
Gemeenten dienen sinds ca. maart 2014 warmteplannen te maken als ze een nieuw warmtenet aan willen leggen (en geen gasnet). In plaats van de verplichte aansluiting op een nieuw warmtenet mogen derden dan initiatieven met ‘een betere milieuprestatie’ ontwikkelen. Maar wat ‘een betere milieuprestatie’ is, is onduidelijk. Elke gemeente mag hiervoor zijn eigen procedure bedenken. Toe- of afwijzingscriteria ontbreken. Een helder landelijk format daarvoor zou helpen. Overigens zijn slechts weinig gemeenten hier al mee bezig.

Actiepunt? Omdat dit nog niet urgent lijkt, ondernemen we geen directe actie, maar volgen we en schakelen op nieuwe ontwikkelingen.

BENG
Hoe warmtelevering via stadsverwarming of warmtenetten doorwerkt in de BENG-indicatoren is niet duidelijk. Hoe duurzaam is de warmte van een afvalverbrandingsinstallatie? Past een nieuwbouwlocatie op een bestaande stadsverwarming met laag rendement? Stadsverwarming wordt momenteel in de Nieman-notitie als 50 % hernieuwbaar meegerekend in BENG-indicator 3.

Actiepunt: we vragen een BENG-adviseur om ons uit te leggen hoe stadsverwarming in de toekomst in BENG wordt uitgewerkt. Ook checken we bij het ministerie of de getrapte eis die we nu kennen voor gebiedsmaatregelen, bij BENG vervalt. Dit zou logisch zijn, aangezien de eerste BENG-indicator ook bewerkstelligt dat de gebouwschil van voldoende niveau is.

EMG
Er is een toekomst denkbaar dat een warmtenet met een relatief laag rendement en geringe duurzaamheid in tien jaar tijd zich verbetert door bijvoorbeeld steeds meer biogaswarmte bij te schakelen. Ook is het de vraag wanneer en hoe deze vertroebeling, vermenging of gestage ‘verschoning’ van de warmte wordt verdisconteerd in de net gebouwde of over tien jaar te bouwen woningen in het bereik van het warmtenet. Dit speelt onder meer in Deventer.

Actiepunt: W/E Adviseurs zoekt uit hoe de eisen van afstand, gelijktijdigheid en contractuele verbondenheid in de laatste versie van de EMG zijn verwoord. Ook zoekt W/E uit of en hoe het wisselende milieurendement van externe bronnen gedurende de bouwtijd in de EMG wordt verrekend. Ook vragen we Energie Nederland of het Warmtenetwerk om ons bij te praten hoe energiebedrijven bezig zijn met verduurzamen van hun netten.

Milieurendement vastleggen
Niet alleen ontbreekt het nog aan de precieze duurzaamheid van warmte, minstens zo belangrijk is de garantie van die duurzaamheid. De gang van zaken bij het warmtenet van Eneco in Utrecht spreekt boekdelen. In Leidsche Rijn bleek vorig jaar dat het milieurendement van de stadsverwarming geen 180% maar 125% is; de circa 200 nieuwe woningen die daarop waren aangesloten, zijn dus minder duurzaam dan gedacht. Projectontwikkelaars in het gebied moeten nu rekenen met het forfaitaire rendement van 110%, aldus de gemeente. Om de EPC-eis nu te halen, betekent dit dus plotseling aanvullende maatregelen aan de woning. Hoe houd je energieleveranciers aan hun afspraken? Waarom staat het minimaal te behalen milieurendement van externe warmte niet in contracten tussen gemeente en energieleveranciers? Waarom is dit niet opgenomen in de contracten met de bewoners? Daarnaast staat dat het met een laag milieurendement, in hoogstedelijke ontwikkelingen onmogelijk wordt om de BENG-eis te halen.

Actiepunt: Dit punt vinden we belangrijk genoeg om breder aan te kaarten.

Externe warmte onmisbaar voor hoogstedelijke locaties
Er zijn altijd locatie-specifieke omstandigheden, maar de algemene stelregel lijkt duidelijk. Collectieve warmte is voor de BENG-eisen met 50% hernieuwbare bronnen een uitkomst voor hoogbouw in stedelijk gebied. Als de stadsverwarmingsnetten zich weten te verduurzamen, hebben ze de potentie zich op termijn te ontwikkelen tot ‘smartgrids van duurzame warmte’. Dit is geen actiepunt, maar wel een leerpunt om genuanceerder tegen stadswarmte aan te kijken. Daarnaast denken we dat door de strenge eerste BENG-indicator, er alleen in specifieke situaties potentie is voor nieuwe warmtenetten op nieuwbouw locaties. Denk hoogstedelijk, binnenstedelijk, smart grid.

PV op afstand en EMG
De potentie van PV op je dak wordt beperkt doordat niet alle daken geschikt zijn voor zonnepanelen. Vooral in de grote steden is een structureel tekort aan beschikbaar dakoppervlak. Waar in boomrijk landelijk gebied de vegetatie zijn schaduw in de zomer vooruitwerpt, staan in de stad sommige gebouwen permanent in de schaduw, of steekt welstand er een stokje voor omdat er geen panelen op het leien dakje mogen. In stedelijk gebied zijn de mogelijkheden beperkt. Ook aan WKO worden strenge eisen gesteld wat betreft diepte en boringen vanwege grondwaterwinning. Dit alles vergt dus zonneweides elders. De eisen in de vigerende NVN 7125 spreken van een maximum afstand van tien kilometer van de betreffende kavel. Dit werpt in de praktijk barricades op terwijl de keuze voor een maximale afstand van 10 km, zeker voor elektriciteit en biogas geen logische gronden heeft. De ontwerpversie van de opvolger ervan heeft het daarentegen over ‘het Europese deel van Nederland of van de Nederlandse Exclusieve Economische Zone’, zodat ook windmolens op zee mee kunnen tellen. Maar een zonneweide net over de grens dus niet. Een ander pijnpunt is dat de panelen op de zonneweide gelijktijdig gereed moeten komen met de woningen waaraan de stroom wordt geleverd.

Het probleem van de gelijktijdigheidseis lijkt het meest eenvoudig. Daar zou meer rek in kunnen worden geschapen door het te verruimen tot twee of vijf jaar . Dat genereert flexibiliteit voor het hedendaagse ontwikkelen en bouwen in plukjes van 20 tot 50 woningen. Die contingentjes kunnen dan toch over voldoende zonnestroom of zonnewarmte beschikken. Ook de eis van tien kilometer zien we liever verruimd tot 100 kilometer, of beter nog heel Nederland, om voldoende zoekruimte te creëren voor zonnestroom-volume.

Actiepunt: mogelijk zijn deze punten al getackeld in de laatste versie van de EMG. We vragen W/E adviseurs om dit na te gaan en om een presentatie over de EMG te verzorgen.

PV op afstand en financiering
Een ander probleem ligt in de financiering van de zonneweides of zonnedaken op andere locaties dan de eigen kavel. De financiering van panelen die niet ‘aard- en nagelvast’ aan de woning zitten, komt niet in aanmerking voor de hypotheek bij de banken en ook niet voor aftrek bij de fiscus. Bij relatief dure woningen met weinig panelen in een project in Vught brachten bewoners eigen geld in. Bij energetisch ambitieuzere projecten in de toekomst (BENG, ZEN, NOM) met goedkopere woningen voor starters kan dit problemen geven.

Een positief punt is dat volgens Solar Greenpoint, dat tal van zonneweides in Nederland realiseert, bewoners positief staan tegenover zonne-energie op een dak op afstand. Ook constructies voor de financiering (via aan de kavel gebonden certificaten) en terugleververgoeding (niet via saldering maar via SDE-subsidie) lijken goed te werken.

Wie nu PV-panelen installeert met SDE+ subsidie, komt nog voor een periode van 15 jaar in aanmerking voor SDE+ en een aantrekkelijke opwekvergoeding. Niets is zo veranderlijk als de politiek, dus hoe wordt toekomstige kopers op een eerlijke en betrouwbare manier voorgespiegeld welke blijvende prestaties hun panelen leveren op gebied van milieu en financiën?

Een proefballonnetje voor de financiering van energieprojecten op gebiedsniveau is om de energie niet aan de bouwvergunning te koppelen, maar met certificaten à la groene stroom te regelen. Wie bij wijze van spreken een CV-ketel op aardgas wil, moet dit dan verplicht compenseren door betaling via projecten elders.

Panelen op afstand komen niet in aanmerking voor de hypotheek. Een constructie die maatwerk levert en financiering mogelijk maakt, zou mogelijk via de route van een energiecoöperatie of VVE kunnen. Dan zou een bank een project voor 80-90% kunnen financieren en de bewoners de rest. Dat kan ook voor woningcorporaties aantrekkelijk zijn. Crowdfunding lijkt daarentegen een aangewezen route voor particulieren en kleine bedrijven. Dit sluit overigens al goed aan bij de manier waarop Solar Greenpoint nu al een vijftiental projecten ontwikkelt.

Rekenen met PV in EPC en BENG
Lastig uit te leggen is dat door een ingewikkelde regelbrij en dito rekenexercitie voor eenzelfde milieuprestatie vier PV-panelen op het eigen dak gelijkwaardig zijn aan vijf panelen elders. Ook lijkt PV op woningen met gas anders meegerekend te worden dan bij all electric woningen. We vragen een BENG-adviseur om ons eens goed bij te praten op dit punt. Hoe wordt dit met BENG?

Conclusies en vervolg

  • Het onderwerp van de gemeentelijke warmteplannen en het onderwerp van de maximale bodemdiepte voor WKO pakken we niet op;
  • We gaan het tegenvallende milieurendement van warmtenetten breder aan de kaak stellen;
  • We organiseren een lezing van een BENG-adviseur over de invloed van gebiedsmaatregelen op de BENG-indicatoren;
  • We zoeken uit hoe het zit met de gelijktijdigheidseis, afstandseis van 10 km in de EMG en organiseren een lezing daarover.

Volgende bijeenkomst: donderdag 1 september 2016 vanaf 13.30 bij NEPROM/NVB, Huize Middenburg, Westeinde 28, Voorburg.


Gerelateerde berichten

PARTNERS

NEPROM NVB Bouwend Nederland Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties