Nieuwe generatie warmtenetten heeft de tijdgeest mee

Naast het traditionele hoge temperatuur warmtenet zien we de laatste jaren nieuwe varianten ontstaan, zoals het lage temperatuur warmtenet (ook wel ‘hybride’ of LT-net) en het ‘open’ net, waaraan meerdere warmteleveranciers gekoppeld kunnen worden. Om de nieuwe generatie intelligente warmtenetten op temperatuur te houden wordt naast industriële restwarmte onder andere gebruik gemaakt van geothermie, riothermie (warmte uit rioolwater) en warmte uit oppervlaktewater.

Het aardgastijdperk loopt in Nederland op zijn einde, en mede daardoor lijken open netten inmiddels de tijdgeest mee te hebben. De snelheid waarmee we van het aardgas af gaan zorgt voor urgentiebesef. Daardoor zijn we sneller bereid om alternatieven een kans te geven. Gemeenten, projectontwikkelaars, woningcorporaties, en steeds vaker ook lokale energiecoöperaties, onderzoeken gezamenlijk de mogelijkheden om de collectieve warmtevraag voor nieuwbouw of renovatie met lokale open warmtenetten te verzorgen.

Henk Monshouwer van Alliander DGO presenteerde tijdens de ZEN Platformbijeenkomst van afgelopen september de visie van Alliander DGO op open netten. Monshouwer gaf aan dat er nu al vijftig à zestig van dergelijke projecten tot stand komen waar Alliander DGO bij betrokken is. Voorbeelden zijn onder andere te vinden in Nijmegen (Waalsprong, Lent en Oosterhout), in Hengelo en in Haarlem. Ook netbeheerder Stedin verkent de mogelijkheden, onder andere in Delft. De grootschaligere Warmterotonde Zuid-Holland, waar Eneco bij betrokken is, moet ook een open netwerk worden.

De genoemde voorbeelden zijn dan wel voorbereid op het aansluiten van meerdere toeleveranciers, maar als we op dit moment gaan zoeken naar ‘echte’ open warmtenetten waarop nu al meerdere partijen actief zijn, dan is de oogst nog mager. Het Mijnwater project in Heerlen is een eerste voorbeeld. Er zitten wél een aantal ‘open’ projecten in de pijplijn, waar we binnenkort meer over gaan horen.

Beheer en exploitatie 
Bij traditionele warmtenetten is eigendom en exploitatie (zowel opwekking/inkoop als afgifte) in handen van één partij. Bij open netten is er een scheiding tussen eigendom en beheer van de infrastructuur, de toelevering van warmte en de afname van warmte. Het voordeel van een open net is dat er allerlei bronnen aan gekoppeld kunnen worden: restwarmte, een serie warmtepompen, geothermie, of warmte uit een buffer bijvoorbeeld. De ‘netbeheerder’ moet er vooral voor zorgen dat er een vrij constante mengtemperatuur ontstaat, binnen de specificaties die met de afnemers zijn afgesproken.

Legionella
LT-netten hebben een lagere temperatuur dan traditionele warmtenetten. Voor verwarming hoeft dat geen probleem te zijn, want met water van 30 tot 40°C kan een vloerverwarmingssysteem, een LT-radiator of een ander LT-afgiftetoestel gevoed worden. Bij tapwater is er meer aan de hand. Vanwege de legionellaveiligheid vragen de NEN 1006 en Vewin-werkbladen in principe 58°C op het tappunt. Dat betekent in de praktijk dat bij LT-aanvoer een booster-warmtepomp of een ander tapwatertoestel moet worden toegepast.

Kwaliteitsverklaring voor BENG-berekening
Harm Valk (Nieman RI) vat de belangrijkste kenmerken van open LT-netten als volgt samen: “Een laag temperatuur warmtenet is energetisch gunstig, omdat de leidingverliezen altijd kleiner zullen zijn dan bij een traditioneel hoog temperatuur-net. Op een LT-net kunnen gemakkelijker verschillende warmtebronnen worden aangesloten, dan wordt het een ‘open’ net. Een open warmtenet geeft bewoners op termijn enige keuzevrijheid, omdat er verschillende energieleveranciers actief kunnen worden. Voor de ontwikkelaar geldt voor de BENG-berekening het gemiddelde rendement; dit wordt straks bepaald aan de hand van een kwaliteitsverklaring die voor het hele net geldt.”

Liefst lokaal
Jeanke van der Haar (Director Smart Area Development ENGIE) ziet keuzevrijheid voor de consument niet zonder meer als het hoogste goed: “De drie basiseisen waar energielevering voor de consument aan moet voldoen zijn een betrouwbare levering, betaalbaarheid en duurzaamheid. Keuzevrijheid kun je dan zien als een afgeleide van betaalbaarheid en duurzaamheid. Bij warmtelevering denkt men vaak dat we naar een zelfde model gaan als bij de energiemarkt, zodat je op één groot net als consument moeiteloos van aanbieder kunt switchen. Maar dat is niet het geval. Open warmtenetten zijn in principe heel lokaal. Je wil bij voorkeur een directe koppeling tussen bron en afnemer om het transportverlies te beperken.”

Groeimodel
Er wordt al jaren gesproken over open netten, maar we zien ze op dit moment nog maar mondjesmaat in de praktijk. Volgens Van der Haar heeft dat te maken met schaalgrootte en met de duur van de opstartfase: “Je hebt enerzijds een bepaalde schaal nodig om een warmtenet rendabel te maken en de investering terug te verdienen. Maar anderzijds is klein starten vaak eerder haalbaar; het is daarom in de praktijk vaak een groeimodel, waarbij je als het goed is steeds meer afnemers en opwekkers aan je net koppelt.”

Definitie van duurzaamheid
Net als voor consumenten geldt voor bouwers en projectontwikkelaars dat ze primair geïnteresseerd zijn in betrouwbaarheid, betaalbaarheid en duurzaamheid. Dat laatste punt komt uiteraard terug in de BENG-berekening. “Ergens is het jammer dat we de kwaliteit van de warmte nu niet waarderen,” vindt Van der Haar. “Hoe duurzaam is bijvoorbeeld biomassa, restwarmte of geothermie? Als je meerdere bronnen hebt met een verschillend duurzaamheidsprofiel, dan zou je eigenlijk moeten kunnen kiezen en de duurzaamheid zou je moeten waarderen in de prijs en in de BENG-score. Er wordt nu gerekend op basis van een gemiddelde per net. Het is jammer dat verschillen in duurzaamheid zo in het hele net verwateren. We zijn nu nog aan het opstarten, het zou volgens mij een stimulans kunnen zijn voor duurzame opwekking als je nu zou gaan differentiëren. We moeten volgens mij in Nederland een goede definitie krijgen van wat duurzaamheid precies is.”


Gerelateerde berichten

PARTNERS

NEPROM NVB Bouwend Nederland Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties