Opinie: Onderweg naar duurzaamheid

Bas van de Griendt

Bas van de Griendt beschrijft verschillende aspecten van het begrip ‘duurzaamheid’. Het gaat bij duurzaamheid altijd over de toekomst, maar de interpretatie verschilt, afhankelijk van de bril waardoor je naar dit begrip kijkt. Over de verschillen tussen de technisch-energetische blik, het gebiedsontwikkelings-perspectief en de beleving van de consument.

Deze column van Bas van de Griendt (Manager MVO en Duurzaam Ontwikkelen BPD) is overgenomen van de BPD website.

Of we het nou hebben over hernieuwbare of duurzame energie, near-zero-energy-buildings, duurzame gebiedsontwikkeling, we zijn allemaal op weg naar hetzelfde doel: keuzes maken waarmee we toekomstige generaties niet belemmeren in hún keuzes. Zo hebben we meteen de kern van de discussie te pakken.

Duurzaamheid gaat over veel meer dan energie alleen, maar vaak blijft de discussie over het algemeen beperkt tot dat onderwerp. Zo hebben Duitsland, Frankrijk en Nederland te maken met het 20-20-20-beleid van de EU. Dat stelt onder andere dat we in 2020 twintig procent minder energie gebruiken en dat twintig procent van onze energie duurzaam moet zijn. Voor onze sector is dat vertaald in de European Performance Building Directive (EPBD), die voorschrijft dat we in 2020 alleen nog maar zo goed als energieneutrale gebouwen mogen ontwikkelen; de nearzero-energy-buildings. Dat is ons gemeenschappelijke doel. De weg er naartoe verschilt nogal.

De ambitie voor het bouwen van energiezuinige woningen is in Nederland in het Lente-akkoord Energiezuinige Nieuwbouw (2007) verder uitgewerkt. Nieuwbouwwoningen die sinds 2015 ontwikkeld worden, mogen nog maar de helft van de energie gebruiken ten opzichte van 2005. In 2020 moet dat zijn teruggebracht naar nul. Die regels zijn strikt. We krijgen gewoon geen bouwvergunning meer om woningen te realiseren die daar niet aan voldoen. Duitsland en Frankrijk kennen hun eigen equivalent van de steeds verdergaande aanscherping van energieprestaties. Dat is vastgelegd in de Energie EinsparVerordnung (EnEV) en de Réglementation Thermique (RT) en Bâtiment de Basse Consommation énergétique (BBC).

Techniek en innovatie zijn van levensbelang in onze reis naar energieneutrale woongebieden, maar ze zijn nooit het definitieve antwoord. Echter, daar zitten grenzen aan. Je kunt een huis op een gegeven moment niet nog meer isoleren zonder dat het ten koste gaat van de leefbaarheid. Bovendien worden nieuwe aanpassingen relatief duurder doordat de opbrengst steeds kleiner is. Dus verschuift de aandacht naar het efficiënt opwekken en hergebruiken van warmte. Dat wordt mogelijk door nieuwe technieken, bijvoorbeeld door het gebruik van warmtepompen en warmteterugwinningsinstallaties. En natuurlijk het zelf opwekken van groene stroom door middel van bijvoorbeeld zonnepanelen. Duitsland is daar inmiddels heel ver in. En in Nederland komt het de laatste jaren ook op gang; sinds 2011 verdubbelt de capaciteit elk jaar.

Consumenten
Inmiddels is ons doel in zicht gekomen; we realiseren steeds meer energieneutrale woningen. Maar dat is nu al niet genoeg meer. Nederlandse gemeenten eisen steeds vaker dat ontwikkelaars notaloze en nul-op-demeter woningen ontwikkelen. Gebouwen dus die zelf alle energie opwekken die ze nodig hebben; niet alleen voor het verwarmen van de woningen, maar ook voor huishoudelijk gebruik. Zodat de bewoner per saldo geen energierekening hoeft te betalen of zelfs geld terugkrijgt van het energiebedrijf. Steeds meer Nederlandse gemeenten stellen voor de ontwikkeling van nieuwbouw de keiharde eis voor dergelijke woningen. De vastgoedsector, ontwikkelaars en bouwers kunnen er niet meer omheen. Maar hoe zit dat met de consumenten?

Het wordt tijd dat we de ambities van professionals – beleidsmakers, ontwikkelaars, bouwers – op het gebied van duurzaamheid gaan verbinden met de belangen en behoeften van consumenten. In Nederland beslaan de energiekosten gemiddeld een kwart van de vaste woonlasten. Dat is veel geld. Energie zal de komende jaren, wanneer de energieprijzen blijven stijgen, alleen maar duurder worden. Toch speelt dit argument in de discussie nauwelijks een rol. Als een koper helemaal geen geld meer kwijt is aan zijn energierekening, heeft hij ruimte over voor een hogere hypotheek en dus een groter huis. Duurzaam bouwen kan dus ook een financiële prikkel zijn, waarom niet? Ook consumenten spinnen er dus garen bij.

Nu de technische kant van duurzaamheid zo ver is ontwikkeld, kunnen we wat mij betreft een stapje terugdoen. Van het hoe naar het waarom in de duurzaamheidsdiscussie. Waarom wilden we ook alweer duurzaam bouwen en leven? Natuurlijk: het klimaat is erbij gebaat en we willen voor onze energiebehoefte minder afhankelijk zijn van de grillen van buitenlandse mogendheden. Nooit meer een energierekening, wie wil dat nou niet? Maar duurzaamheid is in essentie een gedragsvraagstuk. We hebben het steeds over gebouwen en woningen, maar deze discussie is breder en gaat vooral over gebiedsontwikkeling.

Een bekende wet in de vastgoedwereld is dat de waarde van onroerend goed wordt bepaald door locatie, locatie én locatie. De uitdaging voor een duurzamere levensstijl zit daarom veel meer in de omgeving van het gebouw. Want hoewel de consument gebaat is bij een energiezuinige woning en een lage energierekening, willen wij in de eerste plaats gebieden ontwikkelen waarin mensen willen wonen, werken en recreëren. Als je in een gebied woont waar je je thuis voelt, biedt dat misschien wel meer garantie voor een duurzame toekomst dan die energieprestatie van jouw individuele woning.

Grachtengordel
In een gebied telt het collectief; dat is het sociale domein waar niet de energieprestaties leidend zijn, maar zaken als identiteit en verbondenheid. Daar gaat het over voorzieningen, diversiteit, omgangsvormen en bereikbaarheid; de living environment.

Neem bijvoorbeeld de Bijlmer in Amsterdam, een typische hoogbouwwijk van eind jaren ’60 begin jaren ’70. Vanuit technisch oogpunt was die wijk een stuk duurzamer dan de grachtengordel, maar inmiddels hebben we de halve Bijlmer afgebroken en staat de historische grachtengordel in de hoofdstad er nog steeds. Waarom? Omdat we ons daarmee emotioneel verbonden voelen, omdat we ons daar prettig voelen. Daarom zijn we bereid de grachtengordel wél en de Bijlmer níet aan te passen aan veranderende behoeften.

Dat gevoel en die behoeften kun je ook in andere gebieden oproepen. Een omgeving die uitnodigt tot bewegen, draagt bij aan het welzijn en de gezondheid van de bewoners. Als er veel ouderen wonen, zorg dan dat er gezondheidsvoorzieningen in de buurt zijn. Dat is óók een vorm van duurzaamheid. Goede bereikbaarheid maakt een buurt aantrekkelijk voor forenzen of mensen die vaak onderweg zijn voor hun werk. Techniek is er genoeg, de innovaties vinden we vooral in de sociale en financiële kant. Dat sluit bovendien veel meer aan bij wat wij als gebiedsontwikkelaar willen en kunnen betekenen in deze discussie.

Duurzaam ontwikkelen betekent dat we vandaag keuzes maken die de keuzes van toekomstige generaties niet in de weg zitten. In termen van duurzaamheid presteren huizen met zonnepanelen erg goed. Maar als het gaat om keuzes maken, durf ik de stelling aan dat die panelen vaak geen duurzame oplossing zijn omdat ze niet flexibel genoeg zijn. Waar een paneel ligt, kun je geen dakkapel bouwen zonder dat het je energieopbrengst beïnvloedt. De keuze voor je energieopbrengst, beïnvloedt daarmee je woongenot. Het is of het één, of het ander, maar niet allebei. Dat is niet duurzaam. Een energieprestatie is dus niet de enige maat voor duurzaamheid. Waar het om gaat is een balans te vinden tussen people, planet én profit.

Als bouwers en ontwikkelaars kunnen wij inspelen op de behoeftes van de consumenten, zonder dat we daarin dwingend zijn. Bouw huizen met loze leidingen van het dak naar de meterkast. Wie kiest voor zonnepanelen kan ze heel eenvoudig aansluiten. Wil je ze niet, of wil je er op een gegeven moment minder omdat er vanwege gezinsuitbreiding een dakkapel moet komen, dan kan dat ook. Door in te spelen op die latente behoefte, gaan mensen bewegen.

King’s Cross Station
Het thema duurzaamheid leeft onder Nederlandse consumenten een stuk minder dan in Duitsland en Frankrijk. Bovendien hanteren wij een heel smalle definitie. Dat valt onder andere op te maken uit het BPD-onderzoek Woningmarkten in perspectief van 2014. Waar duurzaamheid in Nederland vooral over energie gaat, staat bij de Duitsers maar ook bij de Fransen de sociaaleconomische en culturele duurzaamheid centraal. Die sociale duurzaamheid gaat onder meer over de samenstelling van de wijk, de voorzieningen, de mobiliteit.

In die zin is voor mij en veel anderen in het vak de Londense wijk King’s Cross Station een mooi voorbeeld van duurzame gebiedsontwikkeling. In alle beschouwingen over dit deel van Londen valt het woord ‘energie’ nergens, maar gaat het over identiteit, verbinding en levendigheid. Een wijk waar men graag wil wonen en wil zijn. Als je het hebt over duurzame omgevingen is King’s Cross Station ideaal als inspiratiebron en als opstap tot het herdefiniëren van het begrip duurzaam ontwikkelen in onze branche.

Bas van de Griendt
Manager MVO en Duurzaam Ontwikkelen BPD


Gerelateerde berichten

Tags:

Woningen

PARTNERS

NEPROM NVB Bouwend Nederland Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties