Praktijkvragen over BENG beantwoord

Themagroep Analyse ZEN-projecten – augustus 2017

Bij het Lente-akkoord/ZEN worden steeds meer projecten ingediend die (bijna) voldoen aan de voorgenomen BENG-eisen. Wat kunnen we van die projecten leren? Welke keuzes maken de indieners en wat zijn de ervaringen? Waar lopen zij tegenaan? Een nadere analyse van de projecten kan belangrijke leerpunten boven water halen. Tien prangende vragen waar koplopers nu mee te maken hebben zijn hieronder toegelicht. Deze vragen zijn gesteld en beantwoord in de themagroep Analyse ZEN-projecten.

Hiernaast staan nog een zevental vragen open. De beantwoording van deze vragen volgt op basis van nieuwe gegevens of nadere studie. Op 29 september komt de ZEN themagroep weer bijeen en worden de berekeningen en de concept-antwoorden besproken. U kunt deze aanvullende FAQ’s  in oktober op deze website verwachten. De onderstaande vragen en antwoorden vindt u ook in deze pdf.

Vragen over de BENG-systematiek en de manier van rekenen

1. De bepalingsmethode voor de BENG-indicatoren is nog in ontwikkeling. Welke veranderingen kunnen we daarin nog verwachten? Hoe gaat met name de berekening van warmte- en koelbehoefte (BENG-1) nog veranderen?

Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen de norm en de eisen. Beide zijn gebaseerd op twee principes die in Europees verband zijn vastgesteld in de EPBD Recast:

1) De energievraag van gebouwen (uitgedrukt in kWh) moet worden beperkt.
2) Er moeten eisen worden gesteld aan het percentage duurzaam opgewekte energie.

Deze twee principes zijn door het ministerie van BZK vertaald in drie indicatoren die voor de gehele nieuwbouw gaan gelden: de maximale energiebehoefte, het maximale (primaire) energiegebruik en het minimale percentage duurzame energie. Aan deze BENG-indicatoren worden eisen gesteld (grenswaarden) in verschillende categorieën gebouwen, waaronder woningen.

De manier waarop deze indicatoren worden berekend, wordt vastgelegd in een nieuwe NEN-norm (die op zijn beurt wordt gebaseerd op de nieuwe Europese CEN-normen van februari 2017). Het streven is dat de nieuwe NEN-norm in 2018 voor 90 procent klaar is. Uiteindelijk zal deze de NEN 7120 (waarin de EPC is gedefinieerd) vervangen.

In een Kamerbrief van juli 2015 is bekend gemaakt wat de voorgenomen eisen zijn die aan de drie BENG-indicatoren worden gesteld. Zodra de bepalingsmethode ook (goeddeels) klaar is, dus in 2018, start een kostenoptimaliteitsstudie. Op grond daarvan worden de definitieve eisen aan de BENG-indicatoren vastgesteld. Bij de verdere ontwikkeling van de bepalingsmethode en de kostenoptimaliteitsstudie wordt ook gekeken naar eventuele knelpunten die marktpartijen ervaren.

2. Als in een rijtje grondgebonden woningen de tussenwoningen aan BENG voldoen, voldoen de hoekwoningen, met hetzelfde energiepakket, soms niet aan de eisen. Hoe ga je daarmee om? Is het mogelijk BENG op blokniveau te berekenen?

BENG is bij grondgebonden woningen gedefinieerd op woningniveau. Iedere woning moet aan BENG voldoen. Compenseren is niet mogelijk. Dat is binnen de systematiek van BENG ook niet de bedoeling. Daarin verschilt BENG principieel van de EPC. Bouwpartijen moeten oplossingen realiseren waardoor ook de hoekwoningen van een rij aan BENG voldoen. Datzelfde geldt uiteraard voor vrijstaande woningen en twee-onder-één-kapwoningen.

Appartementengebouwen worden wél als blok berekend. Het is daardoor mogelijk dat de appartementen in één gebouw een verschillende energieprestatie kennen. Binnen één gebouw kunnen appartementen dus een verschillend energielabel (of een verschillende energie-index) krijgen. Na 2018 wordt door BZK onderzocht hoe de afstemming tussen label/index en de BENG-systematiek kan worden verbeterd.

3. Sommige opdrachtgevers gaan verder dan BENG en vragen een NOM-woning met garanties voor de EPV. In hoeverre is dat mogelijk als een ‘add-on’ op een BENG-woning en hoe wordt dat zoal gedaan? Welke ervaringen zijn daarmee opgedaan?

Een opwaardering van BENG naar NOM is haalbaar bij een grondgebonden woning die aardgasloos is en wordt verwarmd met behulp van een warmtepomp. Dan kan de woning eenvoudig NOM worden gemaakt door extra PV-panelen te plaatsen. Bij een NOM-garantie (energieprestatiegarantie) of een energieprestatievergoeding (EPV) in de huursector is aanvullend een langjarige monitoring vereist.

Zo’n opwaardering is praktisch uitgesloten bij verwarming met een gasketel of met gebruik van elektrische radiatoren.  Bij een appartementengebouw is een opwaardering naar NOM afhankelijk van het energieconcept en de gebouwhoogte. Bij lagere woongebouwen zijn er mogelijkheden, maar bij hogere woongebouwen is NOM vrijwel uitgesloten. Dat komt vooral doordat er te weinig dakvlak is voor de vereiste hoeveelheid opwekking met PV. Bij de hoogste woongebouwen draagt op termijn gebouwgebonden windenergie misschien bij aan een oplossing.


Vragen over verwarming


4. In Italië komt niemand op het idee om, als het buiten warm is, de ramen open te zetten. Het klimaat verandert, waardoor we ook in Nederland mediterraan moeten leren wonen. Hoe passen we woningen en woongedrag hierop aan? 

Een mediterraan woningontwerp gaat uit van kleine ramen, diepe overstekken en luiken (zie ook het antwoord op vraag 7). Om ’s nachts een raam open te kunnen zetten, zijn inbraakwerende voorzieningen nodig. Maar ook in meer traditionele Nederlandse ontwerpen kan een bewoner leren mediterraan te wonen om daardoor opwarming te beperken.

Mediterraan wonen heeft te maken met koelte bewaren door de ramen overdag dicht te houden (in plaats van tegen elkaar open te zetten), zonwering neer te laten voordat de zon op zijn hoogtepunt is, ’s nachts de ramen tegen elkaar open zetten, of zomernachtventilatie toe te passen (raam beneden tegenover een dakraam boven het trappenhuis open zetten). Bewoners moeten eraan wennen dat koeling in de zomer met een wko-systeem geen extra energie kost, maar juist zorgt voor regeneratie van de bron. Bouwpartijen moeten bewoners op deze punten wijzen. Over communicatie met bewoners van ZEN-woningen heeft Lente-akkoord/ZEN een aparte publicatie uitgebracht: Communicatie bij ZEN-woningen.


Vragen over ventilatie

5. In de meeste projecten wordt balansventilatie (type D) toegepast. Voor BENG-1 heeft dat duidelijke voordelen. Toch zijn er ook ontwikkelaars die een duidelijke voorkeur hebben voor mechanische ventilatie met natuurlijke toevoer (type C). Welke overwegingen zijn er? 

Beide systemen (C en D) blijven ook in BENG mogelijk. D-systemen (balansventilatie met wtw) leidt tot een lagere energiebehoefte conform BENG-1. Daar staat tegenover dat er meer pompvermogen nodig is en dat leidt tot een iets hoger primair energiegebruik conform BENG-2. Dat energiegebruik in BENG-2 kan verder oplopen bij gestapelde bouw als gevolg van lange aanvoerleidingen.

Andere overwegingen zijn:
• Imago: D-systemen hebben vaak nog een slecht imago. C-systemen worden aangeprezen onder de noemer ‘natuurlijke ventilatie’, hoewel het systeem functioneert door de mechanische afvoer.
• Onderhoudsgemak: C-systemen hebben geen filters die moeten worden schoongemaakt of vervangen. Daarentegen moeten ventilatieroosters wèl worden schoongemaakt. Dat vergeten bewoners vaak.
• Geluid: D-systemen hebben ventilatietoevoerkanalen en inblaaspunten in elke ruimte waardoor er meer geluid kan ontstaan. Daar staat tegenover dat C-systemen open ventilatieroosters hebben, waardoor buitengeluid makkelijker binnenkomt.
• Door de warmtewisselaar in een D-systeem blijft niet alleen de warmte binnen, maar ook de koelte. Bij een modulerende by-pass wordt dit effect in de praktijk groter.

Bepalend voor de kwaliteit van een ZEN-woning is niet zozeer de systeemkeuze, maar de zorg waarmee een systeem is ontworpen en de kwaliteit van de aanleg. Automatische sturing op CO2 met een sensor per zone of per kamer en een vochtsensor in natte cellen is een must. Verder moet het systeem in het ontwerpstadium van de woning worden meegenomen. Over ventilatiesystemen heeft Lente-akkoord/ZEN twee publicaties uitgebracht: Mechanische ventilatie in woningen en Balansventilatie met wtw in de woningbouw.


Vragen over zonne-energie

6. Om PV-panelen mooi in het dakvlak op te nemen, lopen de panelen soms door over de woningscheidende wanden: jouw panelen liggen dan (deels) op het dak van de buren. Maar een woningeigenaar is ook eigenaar van z’n dak en van de ruimte erboven. Hoe gaan bouwpartijen daarmee om?

• Het meest gebruikt zijn passtukken: dummies met het uiterlijk van PV-panelen. Hiermee kan het PV-vlak worden opgevuld tot de beukmaat van de woningen. Dummies kunnen ook worden gebruikt op plekken waar beschaduwing optreedt en bij een dakdoorvoer. Dit is de makkelijkste oplossing, maar gaat wel ten koste van effectieve oppervlakte op dak.
• Sommige bouwpartijen stemmen de beukmaat van de woningen af op de maat van verkrijgbare PV-panelen, bijvoorbeeld een veelvoud van 1 of 1,6 meter (in plaats van een veelvoud van 30 centimeter zoals gebruikelijk). Daarmee wordt het woningontwerp dus gedeeltelijk gedicteerd door de maatvoering van PV-panelen. Een andere oplossing is een juridische regeling met erfdienstbaarheid, vergelijkbaar met recht van overpad. In het eigendomscontract wordt deze erfdienstbaarheid expliciet genoemd. In geval van schade (aan de panelen of het onderliggende dak) is daarmee duidelijk wie aansprakelijk is. In de praktijk blijkt dit lastig te zijn. Het leidt nogal eens tot problemen als er schade is aan het dak en/of de panelen.
• Er kan ook een VvE worden opgericht, waaraan erfdienstbaarheid en de exploitatie van de zonnepanelen wordt overgedragen. Dit is een praktische oplossing bij appartementen; niet bij grondgebonden woningen.
• PV-panelen op maat is theoretisch mogelijk, maar niet kosteneffectief.

7. Een probleem met PV is het verschil tussen aanbod en behoefte. Welke oplossingen zijn er? 

Voor het verschil tussen dag/nacht en zon/bewolking kan worden overbrugd door combinaties van de volgende oplossingen:
• Slimme apparaten (vraagsturing). Sommige apparaten schakelen automatisch in bij veel zon en uit bij weinig of geen zon.
• Accuopslag. Sommige ontwikkelaars anticiperen op elektriciteitsopslag in accu’s. In de technische ruimte is ruimte gereserveerd voor accu’s.
• Combinatie met een elektrische auto en e-bikes. De accu’s van deze vervoersmiddelen worden zoveel mogelijk alleen als de zon schijnt opgeladen.

Het verschil tussen zomer- en winteraanbod is op woningniveau nauwelijks oplosbaar. Dat is vooral ook een vraagstuk voor netbeheerders. Zij werken daarvoor aan oplossingen op de schaal van Nederland en daarbuiten.

8. ZEN-woningen zijn in hun energiehuishouding gevoeliger voor omliggende vegetatie en belendingen dan we gewend zijn. Denk aan passieve zoninstraling en beschaduwing van zonnepanelen. Reken je een woning door op toekomstige belendingen en vegetatie en zo ja hoe dan? Zeker in nieuwe woongebieden is dat lastig.

BENG is gedefinieerd op woningniveau. De omgeving van de woning komt in de berekening niet tot uitdrukking. Zo tellen zonnepanelen in de berekening altijd mee, ook al liggen ze in de schaduw van een naburig gebouw. BENG is daardoor niet een instrument om goed en gezond bouwen te bevorderen; het is een instrument om te controleren of een woning aan de regelgeving op het gebied van energie voldoet. Belendingen zijn in het gebruik en de beleving uiteraard wel van belang. Als het gaat om NOM-woningen of als er voor een woning een EPV wordt berekend, dan komt dat ook tot uitdrukking.


Vragen over de gebruiksfase van de woning

9. De energieprestatie van een woning wordt straks bepaald bij oplevering: met een oplevertoets. Maar wat gebeurt er als de bewoner later zelf aanpassingen aanbrengt zoals een dakkapel, uitbouw en een simpel poezenluikje? Hoe ga je daar als leverancier van de woning mee om? Wanneer vervalt de EPV-garantie en wanneer niet?

Het gaat hier om de combinatie van garantie en communicatie over de voorwaarden voor garantie. De thermische schil van een woning is bepalend voor de energieprestatie. Wanneer een bewoner de thermische schil verandert, vervalt dus in principe de garantie. De leverancier van een woning kan uiteraard zelf aangeven hoe streng hij daarin is. Ontwikkelaars moeten dat in de voorwaarden duidelijk vermelden en dat ook aan de bewoners uitleggen.

In de communicatie is het essentieel om bijvoorbeeld uit te leggen waarom niet iedere uitbouw of dakkapel binnen het energieconcept mogelijk is. Aanpassingen aan een woning waarbij de thermische schil verandert, zijn mogelijk als die aanpassingen aan dezelfde energie-eisen voldoen. De leverancier van de woning kan daarop anticiperen door bijvoorbeeld een uitbouw mee te ontwerpen en als optie voor nu of later aan te bieden. Uiteindelijk is iedere eigenaar-bewoner verantwoordelijk voor zijn eigen huis.

10. Monitoring van NOM-woningen is een vereiste in verband met de energieprestatiegarantie. Voor BENG- en ZEN-woningen is monitoring niet verplicht, maar misschien wel wenselijk. Toch weet niemand precies wat je daarvoor moet doen. Hoe pak je het aan? Waar let je wel en niet op? Hoe kom je tot conclusies?

Een factsheet over NOM-monitoring wordt momenteel gemaakt door de werkgroep Monitoring van de Stroomversnelling.


Gerelateerde berichten

Tags:

BENG

PARTNERS

NEPROM NVB Bouwend Nederland Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties