Praktijkvragen over BENG beantwoord

Themagroep Analyse ZEN-projecten – update november 2017

Bij Lente-akkoord/ZEN worden steeds meer woningbouwprojecten ingediend die (bijna) voldoen aan de voorgenomen BENG-eisen. Wat kunnen we daarvan leren? Welke keuzes maken de initiatiefnemers en wat zijn de ervaringen? Waar lopen zij tegenaan? Een nadere analyse van de projecten kan belangrijke leerpunten opleveren. Enkele prangende vragen waar koplopers nu mee te maken hebben zijn hieronder beantwoord door de Themagroep Analyse ZEN-projecten. 

De onderstaande vragen en antwoorden vindt u ook in deze pdf.

Vragen over de BENG-systematiek en de manier van rekenen

1. De bepalingsmethode voor de BENG-indicatoren is nog in ontwikkeling. Welke veranderingen kunnen we daarin nog verwachten? Met name waar het gaat om de berekening van warmte- en koudebehoefte (BENG-1).

Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen de norm en de eisen. Beide zijn gebaseerd op twee principes die in Europees verband zijn vastgesteld in de EPBD Recast:
1) De energievraag van gebouwen (uitgedrukt in kWh) moet worden beperkt.
2) Er worden eisen gesteld aan het percentage duurzaam opgewekte energie.

Deze principes zijn door het ministerie van BZK vertaald in drie indicatoren die voor de gehele nieuwbouw gaan gelden: de maximale energiebehoefte, het maximale (primaire) energiegebruik en het minimale percentage duurzame energie. Aan deze BENG-indicatoren worden eisen gesteld (grenswaarden) bij verschillende categorieën van gebouwen, waaronder nieuwbouwwoningen.

De manier waarop de prestaties worden berekend, wordt vastgelegd in een nieuwe NEN-norm (die op zijn beurt wordt gebaseerd op de nieuwe Europese CEN-normen van februari 2017). Het streven is dat de nieuwe NEN-norm in 2018 voor 90 procent klaar is. Uiteindelijk zal deze de NEN 7120 (waarin de EPC is gedefinieerd) vervangen.

In een Kamerbrief van juli 2015 is bekendgemaakt wat de voorgenomen eisen zijn die aan de drie BENG-indicatoren worden gesteld. Zodra de bepalingsmethode ook (goeddeels) klaar is, dus in 2018, start een kostenoptimaliteitsstudie. Op grond daarvan worden de definitieve eisen aan de BENG-indicatoren vastgesteld. Bij de verdere ontwikkeling van de bepalingsmethode en de kostenoptimaliteitsstudie wordt ook gekeken naar eventuele knelpunten die marktpartijen ervaren.

2. Als in een rijtje grondgebonden woningen de tussenwoningen aan BENG voldoen, voldoen de hoekwoningen, met hetzelfde energiepakket, soms niet aan de eisen. Hoe ga je daarmee om? Is het mogelijk BENG op blokniveau te berekenen?

BENG is bij grondgebonden woningen gedefinieerd op woningniveau. Iedere woning moet aan BENG voldoen. Compenseren is niet mogelijk. Dat is binnen de systematiek van BENG ook niet de bedoeling. Daarin verschilt BENG principieel van de EPC. Bouwpartijen moeten zorgen dat ook de hoekwoningen van een rij aan BENG voldoen. Datzelfde geldt voor vrijstaande woningen en twee-onder-één-kapwoningen.

Appartementengebouwen worden wél als blok berekend. Daardoor is het mogelijk dat de appartementen in één gebouw een verschillende energieprestatie kennen en dus ook verschillen qua energielabel of energie-index. Na 2018 wordt door BZK onderzocht hoe label/index en de BENG-systematiek beter op elkaar kunnen worden afgestemd.
BZK neemt ook in overweging of het binnen de EU-regelgeving mogelijk is een rij woningen als één blok voor BENG te beschouwen.

3. Een kleine vrijstaande woning met een bvo van 75 m2 of minder en één woonlaag kan bijna niet aan BENG-1 voldoen. Zelfs niet met Rc-waarden van 10, drievoudig glas, balansventilatie met WTW en een infiltratiewaarde van 0,3. Welke ervaringen zijn hiermee en wat zijn consequenties?

In principe moet iedere woning aan BENG voldoen, ook een kleine (vrijstaande) woning. De markt hiervoor lijkt te groeien, zie bijvoorbeeld de populaire tiny houses. Een tiny house wordt door veel mensen gezien als een ideale basis om een bewuster en duurzamer leven te creëren.

Uit een beknopte analyse van twee tiny houses (Tiny Tim en Tiny Tof, beide ontworpen door FARO Architecten) blijkt, dat deze met geen mogelijkheid aan de voorgenomen eis voor BENG-1 kunnen voldoen. Belangrijkste oorzaak daarvan is, dat de verhouding tussen gebruiksoppervlak en verliesoppervlak bij een (zeer) kleine woning erg ongunstig is. Met extra maatregelen is dat niet te repareren.

RVO onderzoekt in hoeverre het mogelijk is om bij kleine woningen een minder scherpe eis aan BENG-1 te stellen. Te denken valt aan een criterium met een staffel in gebruiksoppervlak van bijvoorbeeld < 50 m2 met een BENG-1 eis van 60 à 80 kWh/m2 of een bodemgrens van 1.250 kWh.

Zie verder Kan een kleine vrijstaande woning aan BENG voldoen?

4. Sommige opdrachtgevers gaan verder dan BENG en vragen een NOM-woning met garanties voor de EPV. In hoeverre is dat mogelijk als een ‘add-on’ op een BENG-woning en hoe wordt dat zoal gedaan? Welke ervaringen zijn daarmee opgedaan?

Een opwaardering van BENG naar NOM is haalbaar bij een grondgebonden woning die aardgasloos is en wordt verwarmd met behulp van een warmtepomp. Dan kan de woning eenvoudig NOM worden gemaakt door extra PV-panelen te plaatsen.

Zo’n opwaardering is praktisch uitgesloten bij verwarming met een gasketel of met gebruik van elektrische radiatoren.
Bij een appartementengebouw is een opwaardering naar NOM afhankelijk van het energieconcept en de gebouwhoogte. Bij lagere woongebouwen zijn er mogelijkheden, maar bij hogere woongebouwen is NOM vrijwel uitgesloten. Dat komt vooral doordat er te weinig dakvlak is voor de vereiste hoeveelheid zonnepanelen. Bij de hoogste woongebouwen draagt op termijn gebouwgebonden windenergie misschien bij aan een oplossing.

Bij een NOM-garantie (energieprestatiegarantie) of een energieprestatievergoeding (EPV) in de huursector is aanvullend een langjarige monitoring vereist. Zo’n monitoring is kostbaar: de initiële kosten zijn circa € 1.250. Daar komen de jaarlijkse kosten bij.

Vragen over verwarming

5. In een goed geïsoleerde woning is de temperatuur dag en nacht vrijwel gelijk, terwijl een mens op verschillende momenten en bij verschillende activiteiten behoefte aan andere omgevingstemperatuur. Metabolisme speelt daarbij een rol. Het gaat bovendien niet alleen om de absolute temperatuur in graden Celsius, maar ook om het verschil tussen binnen en buiten en de soort warmte (convectie/straling). Hoe kun je in een ZEN-woning de temperatuur, liefst per vertrek, naar behoefte regelen?

In veel projecten kiezen bouwpartijen voor vloerverwarming op de begane grond en warmwaterradiatoren op de verdieping. Een overweging daarbij is dat een slaapkamer vaak als huiswerkkamer dient en dan snel op temperatuur moet kunnen komen. Daarbij reageren radiatoren sneller dan vloerverwarming. Het warmtetoestel moet dan per zone kunnen worden geregeld.

In sommige projecten wordt elektrische verwarming toegepast met een IR-paneel (aan het plafond of aan de wanden) of een IR-wand. Door de stralingswarmte voelt het al comfortabel bij een relatief lage ruimtetemperatuur. Bovendien reageert het systeem snel. IR-verwarming is daarmee effectief voor plaatselijke en kortstondige verwarming. Maar als het gebruik van een kamer verandert (slaapkamer wordt huiswerkkamer), en er meer uren per verwarming wordt gevraagd, wordt IR-verwarming inefficiënt.

In sommige projecten wordt voor IR-verwarming gekozen als (enige) hoofdverwarming. Vaak zijn de lage investeringen (bijvoorbeeld vergeleken met verwarming op basis van een warmtepomp) daarbij doorslaggevend. Maar als de omstandigheden veranderen, komt de kosteneffectiviteit van IR-verwarming snel onder druk te staan. Bijvoorbeeld als de bewoners ouder worden en meer uren per dag een hogere ruimtetemperatuur wensen. Of als bewoners vaker ventileren met een raam of deur open (bijvoorbeeld om kookluchten te verdrijven). Het elektriciteitsgebruik door IR-verwarming loopt dan snel op. Om de energieberekening rond te krijgen wordt IR-verwarming meestal gecompenseerd met aanvullende PV-panelen. Ook het veranderen van de salderingsregeling kan daardoor zeer nadelig voor dit systeem uitpakken.

6. In een appartementengebouw met een goed geïsoleerde buitengevel, vindt er via woningscheidende wanden veel warmteoverdracht plaats. Welke consequenties heeft dat? Is er aanleiding om deze wanden te isoleren?

Een appartementengebouw moet als geheel voldoen aan BENG. Warmteoverdracht tussen appartementen speelt daarbij geen rol. Thermische isolatie van woningscheidende wanden is daarom niet gewenst. Dat zou bovendien ten koste kunnen gaan van de thermische massa.

Niettemin kan het warmteverlies naar de naastgelegen appartementen in relatie tot BENG-1 aanzienlijk zijn. Dat is voor het bepalen van het vermogen van de verwarmingsinstallatie relevant.

Isolatie van wanden naar onverwarmde trappenhuizen is wel gewenst. Dat is zelfs in de regelgeving opgenomen. Op basis van gelijkwaardigheid wordt daar echter regelmatig van afgeweken. Bij BENG-woningen is dat onverstandig: het kan in de praktijk tot comfortklachten leiden.

Volgens de Warmtewet moet de warmtebehoefte per individuele woning worden gemeten. In een appartementengebouw met een goed geïsoleerde buitengevel is deze meting echter niet valide. Een alternatief is om de warmtebehoefte niet per appartement te meten, maar te versleutelen in de vaste maandelijkse servicekosten. De Warmtewet staat dat toe. Het vaste tarief voor de aansluiting is in de Warmtewet gemaximeerd waardoor ook het resultaat van investeringen in energiemaatregelen aan een maximum is gebonden. Klimaatgarant heeft hiermee ervaring.

Zie verder: Warmteoverdracht naar de buren kan aanzienlijk zijn.

7. Zonwering is in energiezuinige nieuwbouw geen extraatje meer, maar noodzakelijk voor een gezond en comfortabel binnenklimaat. Het is essentieel om oververhitting te voorkomen. Hoe kunnen bouwpartijen zorgen voor goede zonwering? 

De oriëntatie van glas is in de BENG-systematiek essentieel. Het is gunstig als het meeste glas op het zuiden is gericht. Tegelijk is zonwering essentieel om oververhitting te voorkomen. Bij glas op zuid is een diepe overstek of een luifel daarvoor vaak toereikend. Bij glas op oost en west zijn andere maatregelen nodig. Mogelijkheden zijn:
• Beweegbare verticale zonwering zoals al dan niet automatisch bediende screens.
• Handbediende luiken. Daarbij zijn luiken, mits ’s nachts gesloten, ook effectief om ongewenst warmteverlies tegen te gaan.
• Zonwerend glas (met een lage ZTA-waarde). Dit glas houdt echter niet alleen ongewenste (overmatige) instraling tegen, maar ook gewenste opwarming op een zonnige winterdag. Het kan het doorzicht bovendien enigszins beperken.

Ook slim geplaatste begroeiing kan overmatige zomerzon effectief tegenhouden. Dit maakt echter geen deel uit van de woning en mag daarom niet in BENG worden meegenomen.

Externe zonwering is door bouwpartijen tot nu toe altijd als een aanvulling op bestaande bouw gezien. Het is een nieuw element aan de gevel dat bovendien kostbaar en kwetsbaar is. Daardoor laten bouwpartijen maatregelen voor zonwering liever aan de bewoner over.
In woningbouw volgens BENG kan dat niet meer. In de BENG-systematiek wordt bij kans op oververhitting een fictieve toeslag voor ‘zomercomfort’ berekend. Daarmee is de bouwpartij verantwoordelijk voor de totale woning, inclusief zonwering. Het is een integraal onderdeel van de woning en er is (meer) overleg nodig tussen de bouwsector en leveranciers van zonwering.

Zie verder: Waaraan moet goede zonwering voldoen?

8. In Italië komt niemand op het idee om, als het buiten warm is, de ramen open te zetten. Het klimaat verandert, waardoor we ook in Nederland mediterraan moeten leren wonen. Hoe passen we woningen en woongedrag hierop aan? 

Een mediterraan woningontwerp gaat uit van kleine ramen, diepe overstekken en luiken (zie ook het antwoord op vraag 7). Om ’s nachts een raam open te kunnen zetten, zijn inbraakwerende voorzieningen nodig. Maar ook in meer traditionele Nederlandse ontwerpen kan een bewoner leren mediterraan te wonen om daardoor opwarming te beperken.

Mediterraan wonen heeft te maken met koelte bewaren door de ramen overdag dicht te houden (in plaats van tegen elkaar open te zetten), zonwering neer te laten voordat de zon op zijn hoogtepunt is, ’s nachts de ramen tegen elkaar open zetten of zomernachtventilatie toe te passen (raam beneden tegenover een dakraam boven het trappenhuis open zetten). Bewoners moeten eraan wennen dat koeling in de zomer met een wko-systeem geen extra energie kost, maar juist zorgt voor regeneratie van de bron.

Bouwpartijen moeten bewoners op deze punten wijzen. Over communicatie met bewoners van ZEN-woningen heeft Lente-akkoord/ZEN een aparte publicatie uitgebracht: Communicatie bij ZEN-woningen.

9. Er zijn verschillende warmtepompen op de markt. Wat zijn de voor- en nadelen van deze typen? Wat bepaalt de keuze? 
De kennis over warmtepompen ligt voor een groot deel bij fabrikanten en is daardoor niet waardenvrij. De markt is gekleurd. Bovendien zijn er op dit gebied veel ontwikkelingen. Dat maakt een vergelijkend overzicht lastig samen te stellen.

Een eerste overzicht vindt u hier.

Het Lente-akkoord heeft over het gebruik van warmtepompen in 2011 een publicatie gemaakt: Warmtepompen in de woningbouw; do’s and don’ts voor ontwikkelaars.

Verder krijgt toepassing van warmtepompen alle aandacht in de Themagroep Gasloze Nieuwbouw van Lente-akkoord/ZEN.

Vragen over warmwater

10. De toepassing van een zonneboiler lijkt op z’n retour. Veel bouwpartijen vinden het kosteneffectiever om het (schaarse) dakvlak voor PV te gebruiken. Voor warmwater kiezen de meeste ontwikkelaars (nog) voor een combiketel. Aardgas is echter lang niet meer overal beschikbaar. Zeker niet op langere termijn. Welke andere systemen worden er voor warmwater gebruikt? Welke innovaties zijn er op dit gebied? Wat bepaalt de systeemkeuze? 

De volgende tabellen geven de uitkomsten van doorrekening van verschillende warmtapwaterinstallaties bij grondgebonden woningen en appartementen.

In een grondgebonden woning met een gasconcept zorgt een zonneboiler voor een reductie van BENG-2 met 14,2 kWh/m2 en een verhoging met 25% op BENG-3. Met de combinatie van een zonneboiler en (slechts) vijf PV-panelen voldoet de woning aan BENG-2 en BENG-3.

In een aardgasloos (all-electric) concept is een zonneboiler technisch mogelijk in combinatie met een combiwarmtepomp. Financieel is deze combinatie echter niet haalbaar.

Ook in een appartementengebouw kan een zonneboiler worden gecombineerd met PV. Voor de bovenste appartementen kan dat effectief zijn. Wanneer er geen aardgas aanwezig is, is het technisch mogelijk een zonneboiler te combineren met een combiwarmtepomp. Net als bij grondgebonden woningen is dat financieel echter niet haalbaar.


Het blijkt dus dat het effect van toepassing van een zonneboiler op BENG-2 en BENG-3 ongeveer even groot is als dat van vijf PV-panelen. Dat is dus aanzienlijk. In een aardgasconcept is een zonneboiler zeker effectief. In een all-electric concept is een zonneboiler niet kosteneffectief.

Vragen over ventilatie

11. Balansventilatie met wtw (type D) verlaagt de energiebehoefte van een woning. Toch geven sommige bouwpartijen een voorkeur aan mechanische ventilatie met natuurlijke toevoer (type C). Wat bepaalt de keuze? 

Beide systemen (C en D) zijn ook in BENG mogelijk. Een D-systeem (balansventilatie met wtw) leidt tot een lagere energiebehoefte conform BENG-1. Daar staat tegenover dat er meer pompvermogen nodig is en dat leidt tot een iets hoger primair energiegebruik conform BENG-2. Het energiegebruik in BENG-2 loopt verder op bij gestapelde bouw als gevolg van lange aanvoerleidingen.

Andere overwegingen zijn:
• Imago: D-systemen hebben vaak nog een slecht imago. C-systemen worden  aangeprezen onder de noemer ‘natuurlijke ventilatie’. Dat is niet helemaal terecht aangezien het systeem evengoed werkt met een pomp.
• Onderhoudsgemak: C-systemen hebben geen filters die moeten worden schoongemaakt of vervangen. Daarentegen moeten ventilatieroosters wèl worden schoongemaakt. Dat vergeten bewoners vaak.
• Geluid: een D-systeem heeft tweemaal zoveel ventilatiekanalen en ventielen als een C-systeem. Daardoor kan er ook meer geluid ontstaan. Daar staat tegenover dat een C-systeem ventilatieroosters heeft waardoor buitengeluid binnen kan komen.
• Door de warmtewisselaar in een D-systeem blijft niet alleen de warmte binnen, maar ook de koelte. Dat is een voordeel in de zomer. Bij en modulerende by-pass wordt dit effect nog groter.

Bepalend voor de kwaliteit van een ZEN-woning is niet zozeer de systeemkeuze, maar de zorg waarmee een systeem is ontworpen en de kwaliteit waarmee het is aangelegd. Automatische sturing op CO2 met een sensor per zone of per kamer en een vochtsensor in natte cellen is voor ieder systeem een must. Verder moet het systeem in het ontwerpstadium van de woning worden meegenomen.

Over ventilatiesystemen heeft Lente-akkoord/ZEN twee publicaties uitgebracht: Mechanische ventilatie in woningen en Balansventilatie met wtw in de woningbouw.

Vragen over zonne-energie

12. Om PV-panelen mooi in het dakvlak op te nemen, lopen de panelen soms door over de woningscheidende wanden: jouw panelen liggen dan (deels) op het dak van de buren. Bij huurwoningen is dat niet zo’n bezwaar. Bij koopwoningen moet daar iets over worden afgesproken. Hoe gaan bouwpartijen daarmee om?

• Het meest gebruikt zijn passtukken: dummies met het uiterlijk van PV-panelen. Hiermee kan het PV-vlak worden opgevuld tot de beukmaat van de woningen. Dummies kunnen ook worden gebruikt op plekken waar beschaduwing optreedt en bij een dakdoorvoer. Dit is de makkelijkste oplossing, maar gaat wel ten koste van effectieve oppervlakte op dak.
• Sommige bouwpartijen stemmen de beukmaat van de woningen af op de maat van verkrijgbare PV-panelen, bijvoorbeeld een veelvoud van 1 of 1,6 meter (in plaats van een veelvoud van 30 centimeter zoals gebruikelijk). Daarmee wordt het woningontwerp dus gedeeltelijk gedicteerd door de maatvoering van PV-panelen.
• Een andere oplossing is een juridische regeling met erfdienstbaarheid, vergelijkbaar met recht van overpad. In het eigendomscontract wordt deze erfdienstbaarheid expliciet genoemd. In geval van schade (aan de panelen of het onderliggende dak) is daarmee duidelijk wie aansprakelijk is. In de praktijk blijkt dit lastig te zijn. Het leidt nogal eens tot problemen als er schade is aan het dak en/of de panelen.
• Er kan ook een VvE worden opgericht, waaraan erfdienstbaarheid en de exploitatie van de zonnepanelen wordt overgedragen. Dit is een praktische oplossing bij appartementen; niet bij grondgebonden woningen.
• PV-panelen op maat is theoretisch mogelijk, maar niet kosteneffectief.

13. De kosteffectiviteit van PV hangt deels af van de saldering. Hierdoor krijgen kleinverbruikers dezelfde prijs voor geleverde stroom als zij betalen voor stroom die zij op een ander tijdstip afnemen (inclusief transportkosten en toeslagen). Die regeling stoelt op een politieke keuze. Onzekerheid over het voortbestaan van de regeling maakt investeren in (veel) PV ongewis. Wat zijn de risico’s? 

De minister heeft aangegeven de salderingsregeling vanaf 2020 te willen versoberen. Het is (nog) niet bekend hoe en in hoeverre. Voor woningen die vóór 2020 worden opgeleverd is een overgangsregeling toegezegd. Hoe die regeling eruit ziet, is ook nog niet duidelijk.

Versobering van de salderingsregels kan een groot effect hebben op de kosteneffectiviteit van PV. Dat is uitgerekend voor een RVO-referentie-tussenwoning van 125 m2. Met een serie maatregelen, waaronder 5 PV-panelen voldoet de woning aan BENG. Met 21 PV-panelen is dezelfde woning bovendien nul op de meter. Het blijkt dat als de saldering volledig wordt afgeschaft, de bewoners van de NOM-woning toch een maandelijkse energierekening van €45 krijgen. In een BENG-woning gaat de energierekening met €12 per maand omhoog.

De kostenstijging wordt beperkt door meer stroom te gebruiken op momenten dat die door de zon wordt opgewekt. Bijvoorbeeld door apparaten automatisch te laten in- en uitschakelen en door opslag van zonnestroom in accu’s onder andere van e-bikes en elektrische auto’s.

Zie verder: Welke gevolgen heeft versobering van de saldering voor zeer energiezuinige woningen? Meer informatie over de toekomst van salderen staat in de kamerbrief van 12 juli 2017 van de minister van Economische Zaken.

14. Een probleem met PV is het verschil tussen aanbod en behoefte. Welke oplossingen zijn er? 

Voor het verschil tussen dag/nacht en zon/bewolking kan worden overbrugd door combinaties van de volgende oplossingen:
• Slimme apparaten (vraagsturing). Sommige apparaten schakelen automatisch in bij veel zon en uit bij weinig of geen zon.
• Accuopslag. Sommige ontwikkelaars anticiperen op elektriciteitsopslag in accu’s. In de technische ruimte is ruimte gereserveerd voor accu’s.
• Combinatie met een elektrische auto en e-bikes. De accu’s van deze vervoersmiddelen laden bij voorkeur alleen bij als de zon schijnt.

Het verschil tussen zomer- en winteraanbod is op woningniveau nauwelijks oplosbaar. Dat is vooral ook een vraagstuk voor netbeheerders. Zij werken daarvoor aan oplossingen op de schaal van Nederland en daarbuiten.

15. ZEN-woningen zijn in hun energiehuishouding gevoeliger voor omliggende vegetatie en belendingen dan we gewend zijn. Denk aan passieve zoninstraling en beschaduwing van zonnepanelen. Reken je een woning door op toekomstige belendingen en vegetatie? Zo ja, hoe dan? Zeker in nieuwe woongebieden is dat lastig.

BENG is gedefinieerd op woningniveau. De omgeving van de woning komt in de berekening niet tot uitdrukking. Zo tellen zonnepanelen in de berekening altijd mee, ook al liggen ze in de schaduw van een naburig gebouw. BENG is daardoor niet een instrument om goed en gezond bouwen te bevorderen; het is een instrument om te controleren of een woning aan de regelgeving op het gebied van energie voldoet.

Belendingen zijn in het gebruik en de beleving uiteraard wel van belang. Als het gaat om NOM-woningen of als er voor een woning een EPV wordt berekend, dan komt dat ook tot uitdrukking.

Vragen over de gebruiksfase van de woning

16. De energieprestatie van een woning wordt straks bepaald bij oplevering: met een oplevertoets. Maar wat gebeurt er als de bewoner later zelf aanpassingen aanbrengt zoals een dakkapel, uitbouw en een simpel poezenluikje? Hoe ga je daar als leverancier van de woning mee om? Wanneer vervalt de EPV-garantie en wanneer niet?

Het is belangrijk om de bewoner te informeren over het energieconcept van de woning. Als er sprake is van garantie, moet uiteraard duidelijk worden gemaakt welke voorwaarden daaraan zijn verbonden.

De thermische schil van een woning is bepalend voor de energieprestatie. Wanneer een bewoner de thermische schil verandert, vervalt dus in principe de garantie. De leverancier van een woning kan uiteraard zelf aangeven hoe streng hij daarin is. Ontwikkelaars moeten dat in de voorwaarden duidelijk vermelden en dat ook aan de bewoners uitleggen.

Verder is het in de communicatie essentieel om uit te leggen waarom niet iedere uitbouw of dakkapel binnen het energieconcept mogelijk is. Aanpassingen aan een woning waarbij de thermische schil verandert, zijn mogelijk als die aanpassingen aan dezelfde energie-eisen voldoen. De leverancier van de woning kan daarop anticiperen door bijvoorbeeld een uitbouw mee te ontwerpen en als optie voor nu of later aan te bieden.

Uiteindelijk is iedere eigenaar-bewoner verantwoordelijk voor zijn eigen huis.

17. Hoe ga je om met de afzuigkap? Een afzuigkap met een directe afvoer naar buiten lijkt strijdig met een energiezuinig ventilatieconcept. Maar bewoners zijn vaak niet tevreden met een afzuigkap die is aangesloten op een ventilatiesysteem. Wat kan een bouwpartij doen?

Het wordt afgeraden om een afzuigkap aan te sluiten op het ventilatiesysteem. Dat lijkt energiezuiniger, maar de capaciteit van een ventilatiesysteem is te klein om kooklucht voldoende af te voeren. Er is minimaal 300 m3 per uur nodig. Een ventilatiesysteem haalt dat meestal niet. Bovendien raken de ventilatiekanalen hierdoor snel vervuild.

Ook een recirculatieafzuigkap (met actief koolfilter) is af te raden. Zo’n afzuigkap haalt te weinig vervuilende stoffen uit de lucht. Dat blijkt onder meer uit recent veldonderzoek van TNO. Daaruit blijkt dat de concentratie fijnstof tot enkele uren na het koken binnen veel hoger kan zijn dan buiten. Ook bewoners vinden de prestaties van een recirculatieafzuigkap vaak onvoldoende. Het leidt dus tot klachten.

De laatste innovatie is een zogenoemde plasmafilter. Met behulp van een katalysator worden hierin kookluchten verwijderd. Er zijn twijfels over de gezondheidseffecten van dit systeem vanwege de productie van ozon.

Als bewoners niet tevreden zijn met de afzuigkap, treffen zij maatregelen. Sommige mensen zetten een raam of deur open tijdens het koken met gevolgen voor het energiegebruik voor verwarming. behoefte. Anderen gaan rigoureuzer te werk en monteren zelf een afzuigkap aanbrengen met een directe afvoer naar buiten, dóór de thermische schil. De kap wordt dan bovendien meestal niet op energieprestatie gekozen, maar op design. Wat dan ook vaak ontbreekt is een goede toevoer waardoor de afzuigkap minder effectief is dan verwacht.

Het is beter om bij de bouw te zorgen voor een (goed) systeem met een aparte afvoer naar buiten. Een goed systeem zorgt voor effectieve afvoer van kooklucht en verontreiniging. Als de afvoer wordt gecombineerd met plaatselijke toevoer van verse lucht, worden verwarming en ventilatie in de rest van de woning minimaal beïnvloed en blijft het energieverlies beperkt. De vorm en plaatsing van de afzuigkap en de plaats van de luchttoevoer zijn bepalend voor het systeemrendement. Het is belangrijk het afzuigsysteem mee te nemen in de berekening en het ontwerp van het ventilatiesysteem.

In de communicatie met bewoners blijft het belangrijk hier expliciet aandacht aan te besteden. Wat is een goede afzuigkap? Let niet alleen op design, maar ook op afzuigrendement. Ga als bewoner niet zelf aan de slag met een afvoer naar buiten. Bij de overdracht van de woning moet worden opgenomen dat de eventuele EPV-garantie vervalt bij aantasting van de thermische schil.

Zie verder: Al uw vragen over de afzuigkap beantwoord

18. Monitoring van NOM-woningen is een vereiste in verband met de energieprestatiegarantie. Voor BENG- en ZEN-woningen is monitoring niet verplicht, maar misschien wel wenselijk. Hoe pak je het aan? Waar let je wel en niet op? 

De Stroomversnelling heeft de Handleiding Monitoring gemaakt. Dit is een richtlijn die houvast kan bieden bij de invulling van het monitoringsysteem bij NOM-woningen. Het beschrijft de wettelijke verplichtingen, maar gaat ook verder richting ‘good practice’. Er wordt veel aandacht besteed aan de verzameling van informatie, informatiebeveiliging en doorwerking van de privacywetgeving.

Zie verder Handleiding monitoring.


Gerelateerde berichten

Tags:

BENG

PARTNERS

NEPROM NVB Bouwend Nederland Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties